Op het tapijt maken vijf mannen, waarvan drie te paard, met lansen jacht op twee everzwijnen. Aan de boevenzijde twee niet geidentificeerde wapenschilden van een echtpaar, het wapen van de man is omhangen met de keten van de Orde van Sint Michiel. De keten bestaat uit schakels, opgebouwd uit een reeks S-vormen, afgewisseld door een Sint Jacobsschelp. Aan de keten een ovaal medaillon met een afbeelding van Sint Joris en de draak, het vrouwenwapen is omgeven door liefdesknopen. Het tapijt is iets ingekort, met name aan de linker- en rechterzijde. Op enkele plekken is tijdens een vroegere restauratie de inslag opnieuw ingeweven, het tapijt is gevat in een nieuwe boord.In een heuvelachtig landschap met enkele verspreid staande bomen zijn drie mannen te paard en twee te voet met honden en speren (met kwasten onder de ijzeren punten) bezig aan de jacht. In het centrum van de voorstelling rent een wild zwijn naar rechts terwijl een hem achtervolgende hond zich in zijn rechteroor vastbijt. Linksachter deze hond zijn nog de kop en voorpoten van een tweede hond zichtbaar. In het midden en links steken twee ruiters, met de hoofden van hun paarden naar elkaar toe gewend, met hun speren naar het zwijn. Achter de hoge, kale stam van de boom rechts staat een jager die zijn speer richt op de kop van het aanstormende dier. Op de achtergrond rijdt links een ruiter die een tweede wild zwijn opdrijft in de richting van een jager die klaar staat om het met zijn speer neer te steken. Op de voorgrond staan verschillende grote bloeiende planten. Midden bovenaan bevinden zich naast elkaar twee (aan de bovenzijde iets afgesneden) wapenschilden: links een groot schild met eromheen een keten met onderaan een medaille van de Orde van Sint-Michael en rechts een kleiner schild omgeven door een geknoopt koord met aan de onderzijde twee kwasten.